De kern van elke zenuwcel bevindt zich in het ruggenmerg. Wanneer de zenuw wordt doorgesneden worden eigenlijk alle uitlopers van deze zenuwcellen doorsneden. De kern blijft onbeschadigd in het ruggenmerg.
Vanuit het centrale zenuwuiteinde gaat de uitloper weer groeien in een poging bij het eindorgaan te komen, de huid of de spier. Wanneer de andere kant niet gevonden wordt, waaieren de uitlopers alle kanten uit, op zoek naar het andere uiteinde van de doorgesneden zenuw.
Zo ontstaat er een bolletje aan het uiteinde van de beschadigde zenuw dat we neuroom noemen. Dit neuroom kan soms zeer groot worden en is enorm gevoelig voor druk en kou. Druk op het neuroom geeft een tinteling, stroomstootje of pijngevoel.
Een neuroom ontstaat na een doorsnijding of beschadiging van een perifere zenuw.
Lichamelijk onderzoek is in de meeste gevallen voldoende.
Zonder operatie
Als eerste kan een desensibilisatie training door onze handtherapeuten ingezet worden. Door middel van verschillende oefeningen kunnen we proberen om de hersenen te laten wennen aan het veranderde gevoel.
Met operatie
Als het niet lukt om te wennen aan het veranderde gevoel en als de klachten blijven, is het soms nodig om operatief in te grijpen. Dat kan op verschillende manieren:
- Het neuroom verwijderen en het zenuwuiteinde begraven in een spier of bot.
- Een zenuwtransplantatie om de zenuw te herstellen.
- Wanneer het neuroom niet weggehaald kan worden omdat er nog wel een gedeeltelijk overdracht van signalen is, kan het worden bedekt met een spier of door middel van vetverplaatsing.
Bij elke operatie kunnen complicaties optreden, zoals een nabloeding, wondinfectie, weefselversterf, narcoseproblemen, trombose of een longontsteking. Deze complicaties komen zelden voor en kunnen vrijwel altijd goed behandeld worden.
Het herstel is afhankelijk van de locatie van het letsel en welke operatie wordt uitgevoerd.