Carpaal Tunnel Syndroom

Carpaal Tunnel Syndroom

Algemene informatie over het carpale tunnel syndroomnaar boven

De carpale tunnel bevindt zich ter hoogte van de overgang van de onderarm naar de hand en vormt een soort 'doorgeefluik'. De tunnel wordt gevormd door acht middenhandsbeentjes in de vorm van een U. Tussen de poten van de 'U' is een stevige bindweefselband gespannen waardoor zich een tunnel vormt. Door deze tunnel lopen 9 pezen en 1 zenuw.

De pezen zijn de uitlopers van spieren die zich in de onderarm bevinden en de beweging van de  vingers verzorgen. De zenuw (nervus medianus) prikkelt wat kleine spiertjes in de hand en verzorgt het gevoel en de tastzin in de hand van de duim, de wijsvinger, de middelvinger en de helft van de ringvinger.

Bij CTS kunnen de klachten nogal wisselen of verschillend worden ervaren. Zo kunt u last hebben van een prikkelend en pijnlijk gevoel in de handpalm en vingers, een gezwollen, dik gevoel in de hand, uitstralende pijn naar de onderarm, elleboog en schouders en vermindering van de kracht van de hand.

Veel patiënten hebben met name ’s nachts last van klachten. Hoewel de klachten meestal één hand betreffen, komt het ook voor dat men later last krijgt van de andere hand. U kunt bijvoorbeeld tinteld gevoel krijgen bij het fietsen of bij het vastouden van een autostuur of krant.

De oorzaak van het carpaal tunnel syndroomnaar boven

carpaal tunnel syndroom Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) ontstaat door beknelling van een belangrijke zenuw in de pols, de nervus medianus of middenhandszenuw. De zenuw loopt door een tunnel die aan de bovenzijde wordt afgesloten door de dwarse polsband. Wanneer het bindweefsel in de tunnel gaat zwellen, raakt de zenuw bekneld.

De oorzaak van de zwelling van het bindweefsel is in de meeste gevallen onbekend. De klachten komen nogal eens voor tijdens de zwangerschap of aan het begin van de overgang.

Hoe herken ik het carpaal tunnel syndroom?naar boven

Het vaststellen van de diagnose CTS gebeurt op basis van de klachten van de patiënt en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. In bijna alle gevallen wordt ter bevestiging van de diagnose een elektrisch spieronderzoek (EMG) uitgevoerd. Dit gebeurt al tijdens het eerste consult.

Behandeling van carpaal tunnel syndroomnaar boven

Het dragen van een polsbrace (spalk) gedurende de nacht heeft vaak een gunstig effect op de symptomen. Een injectie met corticosteroïden kan een vroege CTS genezen.

Als de klachten niet reageren op bovenstaande behandelingen of langer dan drie maanden bestaan, moet u geopereerd worden. Als dit niet gebeurt, kan de zenuw namelijk blijvende schade oplopen. De ervaring heeft geleerd dat operatieve behandeling van CTS in meer dan 90% van de gevallen succesvol is.

U wordt behandeld onder plaatselijke verdoving. Via een snee in de huid wordt de dwarse polsband blootgelegd en vervolgens in de lengterichting doorgesneden. Hierdoor wordt de tunnel wijder en krijgt de zenuw meer ruimte. Lees hier meer over een eventuele operatie.


Risico'snaar boven

Bij elke operatie kunnen complicaties optreden, zoals een nabloeding, pillar pain (een veranderd gevoel rond het litteken) of  wondinfectie. Deze complicaties komen zelden voor en kunnen vrijwel altijd goed behandeld worden.

Tijdens de ingreep kan de zenuw beschadigd worden, maar dit is extreem zeldzaam. Een enkele keer is de hand na de operatie pijnlijk, gezwollen en komt de beweging van de vingers moeilijk op gang. In dergelijke gevallen is nabehandeling door middel van handtherapie nodig.

Het is belangrijk deze klachten te melden bij uw controlebezoeken op de poli. De kans dat de aandoening terugkomt is zeer laag (<0,5%). Bij ongeveer 5% van de patiënten blijft het litteken gevoelig gedurende de eerste maanden.

Herstelnaar boven

De eerste drie dagen na de operatie draagt u overdag een mitella. Het is belangrijk dat u de vingers gedurende deze periode regelmatig beweegt (strekken en buigen), om te voorkomen dat uw hand stijf wordt. ’s Nachts hoeft u de mitella niet te dragen, u kunt uw arm dan op een kussen leggen. Tijdens het douchen kunt u de mitella even afdoen, maar u moet ervoor zorgen dat het verband droog blijft.

Na drie dagen mag u zelf het drukverband verwijderen. Op de wond plakt u een pleister. Daarna kunt u de hand en pols weer voorzichtig in toenemende mate onbelast gebruiken.

In principe mag u de hand na twee weken weer normaal gebruiken. Of dat ook voor uw werk geldt, bespreekt u met de arts tijdens het consult na de operatie. Zeven tot twaalf dagen na de operatie wordt u namelijk terug verwacht voor wondcontrole en het verwijderen van de hechtingen indien deze niet oplosbaar zijn.

Na de operatie kunt u last hebben van een onaangenaam prikkelend gevoel (vooral ’s nachts). In de meeste  gevallen is dit snel (binnen enkele dagen) verdwenen. U kunt last hebben van een verminderd aanrakingsgevoel in de vingertoppen. Het kan drie tot zes maanden duren voor het gevoel helemaal terug is. Ook bestaat er na de operatie een tijdelijk verlies aan (knijp)kracht. Herstel hiervan duurt doorgaans twee tot drie maanden.

In onderstaande tabel ziet u een score van 0 tot 10 (10 is slecht) gemeten in 0, 3 en 6 maanden na de operatie. Uit de tabel is af te leiden dat de pijn in rust, pijn bij belasten en de pijn de afgelopen week gemiddeld met ongeveer 75% is afgenomen. De functiebeperking is met 70% afgenomen en de klachten zijn met 80% afgenomen.

Herstel na behandeling capaal tunnel syndroom
Cijfers zijn obv resultaten van diverse operaties verricht in 2010

 

Maak nu een afspraak