Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) ontstaat door beknelling van een belangrijke zenuw in de pols, de nervus medianus of middenhandszenuw. De zenuw loopt door een tunnel die aan de bovenzijde wordt afgesloten door de dwarse polsband (ligamentum carpi transversum). Wanneer het bindweefsel in de tunnel gaat zwellen, raakt de zenuw bekneld.
Bij CTS kunnen de klachten nogal wisselen of verschillend worden ervaren. Zo kunt u last hebben van een prikkelend en pijnlijk gevoel in de handpalm en vingers, een gezwollen, dik gevoel in de hand, uitstralende pijn naar de onderarm, elleboog en schouders en vermindering van de kracht van de hand.
Veel patiënten hebben met name ’s nachts last van klachten. Hoewel de klachten meestal één hand betreffen, komt het ook voor dat men later last krijgt van de andere hand.
De oorzaak van de zwelling van het bindweefsel is in de meeste gevallen onbekend. De klachten komen nogal eens voor tijdens de zwangerschap of aan het begin van de overgang.
Het vaststellen van de diagnose CTS gebeurt op basis van de klachten van de patiënt en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. In bijna alle gevallen wordt ter bevestiging van de diagnose een elektrisch spieronderzoek (EMG)
Het dragen van een polsbrace (spalk) gedurende de nacht heeft vaak een gunstig effect op de symptomen. Een injectie met corticosteroïden kan een vroege CTS genezen.
Als de klachten niet reageren op bovenstaande behandelingen of langer dan drie maanden bestaan, moet u geopereerd worden. Als dit niet gebeurt, kan de zenuw namelijk blijvende schade oplopen. De ervaring heeft geleerd dat operatieve behandeling van CTS in meer dan 90% van de gevallen succesvol is.
U wordt behandeld onder plaatselijke verdoving. Via een snee in de huid wordt de dwarse polsband blootgelegd en vervolgens in de lengterichting doorgesneden. Hierdoor wordt de tunnel wijder en krijgt de zenuw meer ruimte.
Bij elke operatie kunnen complicaties optreden, zoals een nabloeding, wondinfectie, weefselversterf, narcoseproblemen, trombose of een longontsteking. Deze complicaties komen zelden voor en kunnen vrijwel altijd goed behandeld worden.
Tijdens de ingreep kan de zenuw beschadigd worden, maar dit is extreem zeldzaam. Een enkele keer is de hand na de operatie pijnlijk, gezwollen en komt de beweging van de vingers moeilijk op gang. In dergelijke gevallen is nabehandeling door middel van handtherapie nodig. Het is belangrijk deze klachten te melden bij uw controlebezoeken op de poli. De kans dat de aandoening terugkomt is zeer laag (<0,5%). Bij ongeveer 5% van de patiënten blijft het litteken gevoelig gedurende de eerste maanden.
De eerste drie dagen na de operatie draagt u overdag een mitella. Het is belangrijk dat u de vingers gedurende deze periode regelmatig beweegt (strekken en buigen), om te voorkomen dat uw hand stijf wordt. ’s Nachts hoeft u de mitella niet te dragen, u kunt uw arm dan op een kussen leggen. Tijdens het douchen kunt u de mitella even afdoen, maar u moet ervoor zorgen dat het verband droog blijft.
Na drie dagen mag u zelf het drukverband verwijderen. Op de wond plakt u een pleister. Daarna kunt u de hand en pols weer voorzichtig in toenemende mate onbelast gebruiken. In principe mag u de hand na twee weken weer normaal gebruiken. Of dat ook voor uw werk geldt, bespreekt u met de arts tijdens het eerste polibezoek na de operatie. Zeven tot twaalf dagen na de operatie wordt u verwacht op de poli voor wondcontrole en het verwijderen van de hechtingen indien deze niet oplosbaar zijn.
Na de operatie kunt u last hebben van een onaangenaam prikkelend gevoel (vooral ’s nachts). In de meeste gevallen is dit snel (binnen enkele dagen) verdwenen. U kunt last hebben van een verminderd aanrakingsgevoel in de vingertoppen. Het kan drie tot zes maanden duren voor het gevoel helemaal terug is. Ook bestaat er na de operatie een tijdelijk verlies aan (knijp)kracht. Herstel hiervan duurt doorgaans twee tot drie maanden.